logo acmp cgpm
dé militaire vakbond

NL

FR

EN

Zoek een afgevaardigde

Meer flexibiliteit: ja, maar...!

11/09/2020

De overheid en de vakbonden hebben op 4 september een aantal aanpassingen aan wetteksten onderhandeld die tot doel hebben de voortgezette vorming van de onderofficieren en de officieren te versoepelen. Deze maatregelen hebben een wezenlijke impact op de vervolmakingscursussen voor keuronderofficieren (B1), hoofdonderofficieren (BM), de basis stafvorming (1e cyclus) en de vorming voor kandidaat-hoofdofficier (2e cyclus). Ze kunnen daarenboven gevolgen hebben voor de loopbaan.


Het is de bedoeling dat in de toekomst onderofficieren en officieren zelf meer vrijheid krijgen om te kiezen wanneer ze een vervolmakingscursus volgen. Dit moet toelaten om het gezinsleven beter af te stemmen op de loopbaan en moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat een tijdelijke familiale beperking of privéomstandigheid geen hinderpaal vormt voor latere bevorderingen.

Voor onderofficieren wordt de mogelijkheid gecreëerd om de cursus B1 later te volgen: met name na de benoeming tot eerste sergeant-chef. Wat betekent dat een eerste sergeant-chef alsnog keuronderofficier zal kunnen worden, voor zover hij nog minimaal 7 jaar kan dienen.
Deze wijziging heeft ook nog een ander gevolg: daar waar tot op heden een eerste sergeant enkel benoemd kan worden tot eerste sergeant-chef na een mislukking in de B1 of na een definitieve verzaking aan deze vorming, zal hij in de toekomst ook in deze graad bevorderd kunnen worden louter op basis van zijn anciënniteit als eerste sergeant (8 jaar).

In plaats van door DG HR opgeroepen te worden voor een vervolmakingscursus, dienen onderofficieren en officieren in de toekomst zichzelf in te schrijven voor respectievelijk de cursussen B1 en BM en voor de 1e en 2e cyclus. Deze wijziging past in het opzet voor een betere zelfsturing van de loopbaan, met inbegrip van de keuze van het moment van de vorming dat betrokkene het beste uitkomt.

Voor officieren wordt het tijdsvenster waarin de basis stafvorming (1e cyclus) en de vorming voor kandidaat-hoofdofficier (2e cyclus) gevolgd kunnen worden eveneens verruimd. Voor deze laatste cursus wordt er bijkomende flexibiliteit voorzien aangaande de te volgen modules: zo kan de kandidaat zelf verzoeken aan een module deel te nemen die overeenstemt met een ander krijgsmachtdeel. Daarnaast is het niet langer nodig om de volledige 2e cyclus te volgen om in de voorwaarden te zijn voor bevordering tot majoor. Er wordt met name de mogelijkheid geschapen om het specifiek gedeelte van de cursus, dat uit de module “operaties eigen aan de component” bestaat, niet te moeten volgen. In dit laatste geval zullen er evenwel beperkingen zijn inzake de toekomstige inplaatsstellingen van betrokkene en zal enkel nog de deelname aan de hogere opleiding voor militair administrateur (3e cyclus) mogelijk zijn.

Verder worden de beroepsproeven voor bevordering tot majoor afgeschaft. Ze worden vervangen door een potentieelevaluatie op basis van de tijdens de 2e cyclus vastgestelde competenties. Deze maatregel beoogt een grotere nadruk op de vorming zelf, in plaats van een te zware focus op de voorbereiding van het examen majoor.

Ons standpunt

Over het algemeen zijn dit positieve maatregelen die zorgen voor meer inspraak van het kaderlid in het verloop van zijn loopbaan en voor een grotere loopbaanflexibiliteit. Wat tot een betere afstemming van de individuele en familiale noden en verwachtingen en het professionele leven kan leiden.
 
Nochtans heeft de militaire vakbond ACMP-CGPM enkele fundamentele bedenkingen bij deze wijzigingen. De extra flexibiliteit heeft immers ook een aantal serieuze keerzijdes:

  • Onderofficieren en officieren dienen zichzelf in te schrijven voor vervolmakingscursussen, doch het is DG HR die de inschrijving aanvaardt en die dus uiteindelijk bepaalt of betrokkene de vorming effectief mag aanvangen op het door hem gewenste tijdstip. Wat eventueel betekent dat betrokkene de cursus toch niet kan volgen op het moment dat hem het beste uitkomt.
  • De keuze van het tijdstip van een vorming kan zich tegen iemand keren. Betrokkene zou immers van de hiërarchie te horen krijgen dat hij (bijvoorbeeld) “nog niet over de vereiste competenties beschikt” (wegens: vorming nog niet gevolgd) en zo kunnen uitgesloten worden van interessante posten. Hij zou ook de boodschap kunnen krijgen dat het volgen van de vorming niet aanvaard wordt wegens: “niet langer rendementsvol gezien de leeftijd”.
  • De beoordeling tijdens de 2e cyclus zal in de toekomst gebeuren op basis van een potentieelevaluatie. Met deze aanpak doet Defensie niets minder dan het onheil over zichzelf afroepen. Men dupliceert hier het fiasco van de professionele evaluatie. Kennelijk begrijpt de defensiestaf nog steeds niet de bedoeling noch de aangewezen aanpak van een potentieelevaluatie. De stagiairs gaan niet langer op een objectieve, onpartijdige en waardevrije wijze beoordeeld worden, maar gaan onderworpen worden aan een kaduke, ondeskundige en knullige evaluatiemethodologie. Puur amateurisme, dus, dat binnen de kortste keren tot betwistingen zal leiden.
  • Twee categorieën van hoofdofficieren worden gecreëerd: de “volwaardigen” en de “halfslachtigen”. Daar waar de eerste categorie in aanmerking kan komen voor alle jobs, kan de tweede enkel in plaats gesteld worden in staffuncties. In plaats van meer soepelheid, zal dit leiden tot minder soepelheid, zowel voor de organisatie als het individu. De beste omschrijving van een dergelijke maatregel is: zichzelf in de voet schieten.

Omwille van bovenstaande tekortkomingen kan de militaire vakbond ACMP-CGPM niet akkoord gaan met de voorgestelde aanpassingen aan de 2e cyclus. De andere wijzigingen zijn wel aanvaardbaar voor ons, voor zover er in het reglement voldoende garanties ingebouwd worden opdat deze extra flexibiliteit inzake het tijdstip van de vervolmakingscursus geen negatieve impact zou hebben op de loopbaankansen van betrokkenen.


Terug

106786 Braekevelt Juergen