logo acmp cgpm
dé militaire vakbond

NL

FR

EN

Zoek een afgevaardigde

Stop met het perceptiebeleid - Bedenkingen van de ACMP-CGPM bij de identiteitsenquête

28/11/2017

In de laatste ‘De Schildwacht’ hebben wij uitgebreid bericht over de identiteitsenquête die in mei binnen Defensie uitgevoerd werd door een onafhankelijk onderzoeksbureau. Het rapport wordt ondertussen uitgebreid besproken in de media. De ACMP-CGPM heeft zijn mening over de resultaten van deze bevraging inmiddels ook toegelicht in de pers. Deze InfoNews bevat de krachtlijnen van onze media-interventie, evenals een aantal bedenkingen bij de vaststellingen van deze bevraging.

De resultaten van de enquête zijn best wel ontnuchterend. Alhoewel de bijna 4.000 personeelsleden die aan de bevraging deelnamen benadrukken dat er veel goed gaat tijdens het gevaarlijke werk binnen de krijgsmacht, is het algemeen beeld van militairen over hun organisatie eerder negatief dan positief. Vooral bij de groep onder de 40 jaar is er redelijk wat demotivatie en wantrouwen. Bevindingen zoals dat 56% van de ondervraagden zelf niet meer zou kiezen voor Defensie als werkgever en dat meer dan de helft het leger ook niet meer zou aanbevelen aan geïnteresseerde jongeren, spreken boekdelen.

Naar de mening van de ACMP-CGPM zijn de resultaten van deze enquête het symbool van de afgebladderde staat van de krijgsmacht en de gebrekkige wil daar iets aan te doen. Daarnaast geven ze aan dat Defensie een geloofwaardigheidsprobleem bij haar eigen personeel heeft. Deze bevraging legt in feite drie grote pijnpunten bloot: de cultuur binnen het leger, een leiderschapsprobleem en een loyaliteitsprobleem.

Er heerst een funeste cultuur bij het leger: een cultuur van pappen en nathouden, waarin niet wordt geleerd van misstanden en waarin het signaleren van tekortkomingen wordt ontmoedigd. Wie vecht tegen onregelmatigheden en problemen op de werkvloer weet dat zijn carrière voorbij is. Militairen kijken dus wel uit om al te kritisch te zijn. En zo denkt iedereen er over, van laag tot hoog in de organisatie. Wat ook zwaar op de lever van het personeel ligt is, is dat militaire en politieke verantwoordelijken niet meer rechtdoorzee zijn, zich niet meer aan beloften houden en zaken mooier voorstellen dan ze zijn. Allemaal zaken waar militairen een hekel aan hebben. In 2016 zou er wel een sluitingsplan van de kazernes komen, in oktober laatstleden plots niet meer. Het leger dat zijn middelen zou terugkrijgen om zijn taken naar behoren uit te voeren, zoals in het regeerakkoord staat. Waar zijn ze, die middelen? Misschien na 2020, doch de eerste euro hiervoor moet nog gevonden worden.

Deze bevraging bewijst dat de verkooppraatjes over ‘Defensie als aantrekkelijke werkgever’, ‘verjongen’, ‘de defensieorganisatie voorbereiden op de toekomst’, wel heel erg hol klinken in de eenheden.  Bovendien staat met deze enquête ineens zwart-op-wit dat de door de defensieminster weggewuifde klachten over tekorten aan materieel en individuele uitrusting en inferieur materieel waarmee gewerkt moet worden, terecht zijn.

De communicatie van en binnen Defensie vormt best wel een serieuze steen des aanstoots bij het personeel. Met het obligaat gewauwel dat er ‘aan de toekomst van Defensie, uw toekomst gewerkt wordt’ kom je er niet meer in Leopoldsburg, in de kazernes waar ze al jaren lopen te bricoleren om de boel draaiende te houden. In Marche-en-Famenne, Zeebrugge, Florennes, Kleine-Brogel, Spa, Brasschaat, Flawinne, Tielen, Doornik, Burcht, Arlon, Peutie, Grobbendonk en op andere plaatsen ten andere ook niet.

Deze enquête brengt nog een andere opvallende bevinding. Met name dat het personeel zich niet gesteund voelt ‘als de chef geen duidelijke grenzen stelt’. Militairen hebben er een probleem mee als hun chefs ambigue signalen geven aan hun politieke meesters: het gaat niet goed meer en we hebben te weinig middelen, maar we gaan tóch nog op buitenlandse missie. Daardoor blijft het onduidelijk hoe groot de ellende op de werkvloer is. Met als gevolg dat de politiek ook geen goede afwegingen kan maken. Deze vaststelling wordt versterkt door de autocensuur via de verschillende rubberlagen van de defensie-bureaucratie. Alle militaire eenheden moeten jaarlijks overzichtsrapporten schrijven over de staat van het personeel en materieel. Op elk niveau waar rapportages worden samengevoegd, worden ze rooskleuriger herschreven. Op het laagste niveau is men uiterst kritisch: ‘we storten bijna in’. Halverwege het proces staat er dat ‘nog een paar problemen moeten worden opgelost’. En als het rapport de CHOD of het kabinet bereikt zijn er nog maar ‘enkele aandachtspunten’.” Hogere commandanten willen de minister er niet mee lastig vallen en niet laten zien dat bij hen zwakke plekken zitten. Zo kan men in de ‘Lambermont’, waar het kabinet-Vandeput gehuisvest is, ook niet weten van alle problemen.

De grootste teleurstelling in de eenheden heeft minder te maken met een tekort aan middelen of de krakkemikkige staat van de infrastructuur, dan met chefs die weglopen van hun verantwoordelijkheid. Met name bazen die lijdzaam het afbouwscenario van het leger ondergaan. Het gevoel overheerst dat de loyaliteit aan de politiek en aan de eigen carrière voorrang gekregen heeft op een adequaat en verantwoord functioneren. Militaire chefs die de dagelijkse werking en de operationele uitvoering ondergeschikt maken aan de politieke wenselijkheid doen afbreuk aan hun eigen professionaliteit. Bovendien doen ze hiermee het personeel tekort. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat ruim de helft van de militairen geen vertrouwen meer heeft in zijn bazen.

Een ander groot knelpunt dat uit deze enquête naar voren komt, is de vaststelling op de werkvloer dat de loyaliteit binnen het leger slechts in één richting werkt. Militairen moeten steeds bereid zijn om in moeilijke omstandigheden, met mogelijk risico voor fysiek gevaar en met aanvaarding van beperkingen op rechten en vrijheden, hun chefs en de overheid loyaal dienen. Doch het omgekeerde, het engagement vanwege diezelfde overheid tegenover de militaire gemeenschap, schiet ernstig tekort. Die wederkerigheid, de zorgplicht van de beleidsmakers tegenover de defensieorganisatie en haar personeel, is de voorbije twee decennia steeds verder ontmanteld. Als ‘tegenprestatie’ voor hun engagement en loyaliteit moeten militairen erop kunnen rekenen dat de overheid haar verbintenis naleeft. Zo hebben militairen het recht op persoonlijke veiligheid: de overheid moet er voor zorgen dat ze op een adequate manier getraind en uitgerust worden. Zodat ze met goed, functioneel materiaal en wapens de opgelegde taken kunnen vervullen en ze over het vereiste niveau van bescherming genieten tijdens de inzet en de training. Wat nu niet altijd het geval is.

Daarnaast heeft deze zorgplicht van de staat betrekking op de arbeidsvoorwaarden: een billijke verloning voor de ‘diensten’ die geleverd worden in soms extreme en gevaarlijke omstandigheden, een gepaste medische steun, het vooruitzicht op een voldoeninggevende loopbaan, een correcte werkomgeving en een loopbaanduur die rekening houdt met de operationele vereisten van het beroep. Ook op dit vlak is de klok de voorbije 15 jaar teruggedraaid.

Loyaliteit werkt de twee kanten op. En dat wordt niet begrepen, niet in de Wetstraat en evenmin in ‘Evere’. Vandaar dat jongeren pelotonsgewijs Defensie uitlopen.

Tegenover op glossy-papier uitgegeven strategische visies, militaire bedrijfsplannen die opgetrokken zijn uit holle management-speak en ronkende verklaringen dat ‘Defensie voorbereid wordt op de toekomst’, staat het nuchtere feit dat sinds de start van de regering Michel I alleen al opnieuw 1,1 miljard euro bezuinigd werd op Defensie. Net zoals er de onweerlegbare vaststelling is dat er tegelijk aangestuurd wordt op nieuwe buitenlandse missies en dat de inzet van militairen in onze steden steeds maar verlegd wordt. Altijd maar meer doen met minder is voodoo-politiek die mogelijks werkt in de Wetstraat, maar al lang niet meer in de kazernes.

Loyaliteit? Ja, in één richting: van onder naar boven. Maar omgekeerd: vooral veel woorden, maar weinig daden. Vandaar die ontluisterende antwoorden in deze enquête. Vandaar ook die dwingende smeekbede die tussen de lijnen van de antwoorden te lezen valt: stop met dat perceptiebeleid! Doe nu eindelijk eens iets! Nu! En niet na 2020!

In zijn reactie in de media stelt minister Vandeput dat hij met deze regering het tij aan het keren is, dat er opnieuw wezenlijk geïnvesteerd wordt en dat de rekrutering serieus opgetrokken wordt. Tevens uit de minister zijn ongenoegen over “vakbonden die schreeuwen” en “cijfers die niet juist zijn”. Quod non. Een actieplan moet volgens hem de situatie ten goede verbeteren.

De ACMP-CGPM kijkt vol verwachting uit naar dit actieplan – het was ten andere al de CHOD die dit aangekondigd had op 27 april. We zijn bereid om hier volop onze schouders onder te zetten. Met als doel de vele woorden nu eindelijk eens in tastbare daden om te zetten.


Deel dit artikel op

Terug